De klassieke economische theorie leert dat de vrije markt een keurig evenwicht schept: naarmate steenkool dieper wordt gewonnen, wordt olie een aantrekkelijker alternatief. Maar de moderne technologie houdt zich niet aan de theorie. De tendens is dat de winnaar alles krijgt. VHS vernietigde Betamax. Een fundament van het kapitalisme wankelt.
Als hij na de lunch zijn auto parkeert voor het gebouw van de economische faculteit in het hart van het uitgestrekte complex van de universiteit van Stanford, ontdekt Brian Arthur dat hij geen muntjes heeft voor de parkeermeter. Na wat gerommel in zijn zakken zegt hij: ‘Op naar de vrijheid’ en loopt monter naar zijn kantoor, terwijl hij vraagt: ‘Weet je wat Ieren doen als een straat eenrichtingsverkeer wordt?’ Een triomfantelijke lach breekt door op zijn lippen: ‘Het liefst rijden ze de straat allemaal vanaf de verboden kant in.’
Ongevraagd geeft de hoogleraar economie en bevolkingsonderzoek aan de universiteit van Stanford – van Noordierse (Belfast) afkomst, maar al 25 jaar wonend in de Verenigde Staten – een uiterst treffende typering van hemzelf. Brian Arthur is een enfant terrible van de economische wetenschap: koppig, eigenwijs, tegendraads en, inderdaad, met een voorliefde voor het inrijden van verboden straten. In zijn vakgebied: het in twijfel trekken van de vooronderstellingen waarvan de discipline uitgaat. Brian Arthur stelt dat in de wereld van de moderne technologie economische activiteiten niet – zoals de klassieke theorie leert – onderhevig zijn aan afnemende meeropbrengsten, die leiden tot een voorspelbaar evenwicht tussen de deelnemers in het economische verkeer, maar aan toenemende meeropbrengsten, die tot gevolg hebben dat de winnaar alles krijgt. Dit is meer dan een stammenstrijd tussen economen. Arthurs theorie van toenemende meeropbrengsten tast de fundamenten van het kapitalisme aan. Zijn visie werpt een totaal ander licht op de rol van de overheid in de economie en klinkt door in het streven naar ‘eerlijke handel’ van de regering-Clinton.
Brian Arthur leerde, zoals elke economiestudent, dat economische activiteiten afnemende meeropbrengsten ondervinden. Elke groeiende economische activiteit stuit uiteindelijk op een negatieve reactie. De exploitatie van steenkool wordt duurder naarmate de kolen dieper moeten worden gewonnen. Uiteindelijk leidt dat er toe dat men op zoek gaat naar goedkopere alternatieven. Voor oliewinning geldt hetzelfde. Daarom ontstaat in de economie een natuurlijk evenwicht tussen het gebruik van olie en kolen. Deze evenwichtige uitkomst, die volgens de klassieke theorie geldt voor elk economisch gedrag, is voorspelbaar en stabiel: de oliecrisis stimuleerde energiebesparing en olieexploratie met als voorspelbaar gevolg een daling van de olieprijzen. De evenwichtige uitkomst is slechts afhankelijk van de wensen van de consument en van de beschikbaarheid van technologie en grondstoffen: irrationaliteit, toeval en historie spelen geen rol.
Om zich heen zag Arthur weinig van dat evenwicht van de handboeken. Hij zag beurscrashes, handelsconflicten, monopolies en hoe het economische verkeer werd beïnvloed door irrationeel menselijk gedrag. ‘Om een nieuw geneesmiddel, een vliegtuig of een computerprogramma te produceren, moeten vaak honderden miljoenen worden geïnvesteerd in onderzoek en ontwikkeling. Maar zodra het nieuwe produkt bestaat zijn extra kopieën relatief goedkoop. De gemiddelde kosten om een hoogwaardig technologisch produkt te maken dalen naarmate meer wordt geproduceerd. Er is sprake van positieve respons: als een produkt een voorsprong heeft op de concurrentie, nemen de kostenvoordelen toe en daardoor neemt de voorsprong toe. Hoogwaardige technologie is onderhevig aan toenemende meeropbrengsten. Er zijn geen stabiliserende krachten. De tendens is dat de winnaar alles krijgt. De uitkomst is niet te voorspellen en afhankelijk van toeval, geluk en historische omstandigheden’, zegt hij. Arthur illustreert zijn stelling met het verhaal van de opkomst van de videorecorder. De markt begon met twee concurrerende technologieën – VHS en Betamax. Beide konden profiteren van toenemende meeropbrengsten als hun marktaandeel toenam: uitgebreide aanbieding van VHS-recorders zou videotheken stimuleren meer VHS-films aan te kopen waardoor de waarde van het bezit van een VHS-recorder toenam. Maar hetzelfde gold voor Betamax. Door te profiteren van toevallige, kleine winsten, slaagde VHS er echter uiteindelijk in vrijwel de volledige videomarkt te veroveren.
De strijd tussen de twee videorecordertechnologieën verloopt dus geheel anders dan de concurrentie tussen olie en steenkool. Ondanks het feit dat de meeste deskundigen het Betamax-systeem technisch superieur achtten. Zo typt iedereen ook op een toetsenbord dat niet logisch alfabetisch is ingericht, maar begint met de letters, Q,W,E,R,T en Y. Ooit werden de toetsen zo gerangschikt door typemachinefabrikant Remington om te voorkomen dat te snel werd getypt, waardoor de machine vastliep. Maar ook de snelste computer is tegenwoordig nog steeds uitgerust met het onlogische Qwerty-toetsenbord.
Kleine gebeurtenissen, onvoorspelbare factoren bepalen de ontwikkeling van de economie. Als je door ‘toeval’ een voorsprong verkrijgt is de tendens dat je die voorsprong behoudt of zelfs uitbreidt. Arthur spreekt van een proces van ‘lock in’. Een keuze wordt ‘ingesloten’ wat de voordelen van alternatieven ook mogen zijn. De vrije markt levert blijkbaar niet altijd het best mogelijke resultaat op. Arthur: ‘Mijn ideeën zijn niet alleen bedreigend voor gevestigde carrières in de economische wetenschap, maar ook voor de ideologie waarop dit land is gebaseerd. Het verschijnsel van toenemende meeropbrengsten zet het kapitalisme op zijn kop. Er zijn vele verschillende oplossingen voor economische problemen waarbij toenemende meeropbrengsten een rol spelen. Het is enerzijds onmogelijk om de uitkomst te voorspellen en anderzijds is het mogelijk dat een minder gewenste oplossing wordt gekozen. Het kan daarom zijn dat de markteconomie niet het best mogelijke resultaat biedt. En dat is geen populaire stellingname in de Verenigde Staten.’
Brian Arthur doceert zijn visie met een zachte, innemende stem, die scherp contrasteert met zijn felle, wetenschappelijke eigenzinnigheid. Hij heeft zich lange tijd met zijn theorie in een wetenschappelijke wildernis bevonden. Het verging hem, naar eigen zeggen, als het kind in het sprookje dat zei dat de keizer geen kleren aanhad: zijn visie werd simpelweg niet geaccepteerd. Wetenschappelijke tijdschriften weigerden zijn artikelen te plaatsen en collega’s negeerden hem. Een artikel van Arthur over Silicon Valley, over hoe een industrie zich groepeert afhankelijk van het toevallige feit welk bedrijf zich het eerste vestigt, werd door de redactie van een wetenschappelijk economisch tijdschrift verwezen naar een wetenschappelijk tijdschrift voor geografie. De doorbraak kwam uiteindelijk na tien jaar ‘verbanning’ in 1990 toen Scientific American een artikel over toenemende meeropbrengsten van Arthur publiceerde. Arthur: ‘Het probleem was dat ik niet nieuwe oplossingen aandroeg voor bestaande problemen. Ik kwam met hele nieuwe problemen die door de wetenschap niet als problemen werden gezien. De economische wetenschap gaf er de voorkeur aan bekende problemen te analyseren in plaats van de vraag te stellen: werkt de economie inderdaad volgens de regels die wij hebben aangenomen?’ Het was niet zo dat Arthurs academische achtergrond in twijfel werd getrokken. Voordat hij zijn werk over toenemende meeropbrengsten begon, werden artikelen van hem over ‘orthodoxe onderwerpen’ probleemloos in de toptijdschriften geplaatst. Zijn werk werd zelfs zozeer gewaardeerd dat hij negen jaar na zijn promotie op 37-jarige leeftijd een zeer begeerde gesponsorde hoogleraarszetel op Stanford kreeg aangeboden. ‘Ja, Picasso kon schilderen – in de academische traditie – voordat hij met zijn kubisme begon’, verzucht Arthur.
Arthurs theorie van toenemende meeropbrengsten mag dan vele gevestigde standpunten ondermijnen en daarom verzet uitlokken, zijn daaruit voortvloeiende visie op handel krijgt meer en meer steun. ‘Als de winnaar alles krijgt is er geen sprake van dat vrijhandel, zoals de klassieke theorie stelt, uiteindelijk voor alle betrokkenen het beste resultaat oplevert. Tenzij je aanvaardt dat je economie terugvalt tot het niveau van een landbouwsamenleving’, zegt Arthur. Hij formuleert voorzichtig: ‘Ik zeg niet dat vrijhandel slecht is. Het is ook niet alleen maar in een beperkt aantal gevallen goed. Als regeringen verstandig genoeg zijn om te beseffen dat voor technologie andere regels gelden en dat zij zich deze markten, waar de winnaar alles krijgt, niet moeten laten afpakken is het goed om vrijhandel na te streven. Juist ook voor technologie geldt het voordeel van de grotere markt. Airbus is te groot en te duur voor Frankrijk alleen. Er zijn dus twee kanten: enerzijds heb je vrijhandel nodig voor het verkrijgen van een grotere markt, anderzijds loop je een groot risico dat je een industrie verliest aan een ander economisch blok. Als je dan, zoals Reagan en Bush hier tien jaar hebben gedaan, ten koste van alles aan vrijhandel wilt vasthouden ben je dom en naïef. Een regering moet heel voorzichtig zijn met handelsbetrekkingen met andere landen. Niet achteloos roepen: vrijhandel is prachtig. Maar: oké vrije handel onder deze voorwaarden. Dat is dus eerlijke èn vrije handel.’ Deze woorden weerklinken in de ‘fair trade’ en ‘managed trade’ waarop de regering-Clinton voortdurend hamert. Arthur toont zich bescheiden en verwijst naar Robert Reich en Laura Tyson, de economen die het beleid van Clinton vormgeven. Feit is dat het eerste wetenschappelijke artikel over toenemende meeropbrengsten het artikel van Arthur in Scientific American was. Dat was voor – toen nog – senator Al Gore aanleiding hem uit te nodigen voor een gesprek in Washington.
Brian Arthur is nauw betrokken bij het Santa Fe Instituut in New Mexico. Dit instituut, dat in 1984 werd opgericht, is een initiatief van natuurkundigen – onder wie enkele Nobelprijswinnaars – om de uiteenlopende wetenschappelijke disciplines weer te integreren. Arthur: ‘Je moet je afvragen waarover economie gaat. De gemiddelde voorbijganger zegt: over het nationaal inkomen, inflatie, prijzen, rente et cetera. Daarover leest hij in de krant en dat zijn ook de zaken waarover de politici spreken. Dat zijn natuurlijk belangrijke kwesties. Maar als regeringen werkelijk bezorgd zijn, kunnen ze veel meer doen aan de ontwikkeling van de welvaart, aan de basis voor de technologie.
De gangbare stelling was tot nog toe dat de economie werkte als een machine met kranen, hefbomen en schakelaars: zullen we de belastingen opdraaien of de rente lager schakelen? Je kijkt naar de wijzertjes en de lichtjes en je past de machine zo goed mogelijk aan. We spreken over “finetuning” van de economie. Het is een mechanistisch beeld dat de economie voorstelt als iets dat je kunt duwen en trekken. Ik zie de economie niet als een machine, maar als een zich steeds ontwikkelend systeem. Die ontwikkeling verloopt zeer vergelijkbaar met biologische evolutie. Stel je voor dat er een eiland opkomt ergens in de oceaan. Economen en biologen beschouwen dit verschijnsel op zeer verschillende manieren. De biologen zeggen dat de ontwikkeling van de flora en fauna voor een groot deel wordt bepaald door wat het eerst aan land spoelt, of door welke zaden eerst door overvliegende vogels worden gedropt. Wat het eerste gebeurt bepaalt hoe de ecologie van het eiland er over een miljoen jaar uitziet. Biologen zeggen nooit – zoals economen dat doen –vooraf: het is onvermijdelijk dat het er zo en zo zal uitzien. Biologen spreken van een oprichterseffect en van een exclusiviteitsbeginsel. Als een type hagedis aanspoelt op een stuk zeewier en als eerste aan land kruipt, zullen andere soorten hagedissen het veel moeilijker krijgen om zich te vestigen op hetzelfde eiland. Zo gaat het in de economie ook. Denk maar aan VHS en Betamax en aan de Qwerty-typemachine. Voor mij is de economie een ecologie van bedrijven, produkten en technologieën, die elkaar bevruchten. Voor de ontwikkeling van de laserprinter was de technologie van de kopieermachine èn van de computer nodig. Zo kan je ook spreken over soorten in de economie.’
Een andere visie op de economie leidt tot een andere rol voor de overheid. Het betoog van Brian Arthur moet Philips-president Jan Timmer als muziek in de oren klinken. Met zijn theorie van toenemende meeropbrengsten legt hij de wetenschappelijke basis voor een actieve rol van de overheid in de economie. Overheidsbemoeienis is – zeker in Europa en Japan – natuurlijk al lang een feit, maar dat standpunt botst toch voortdurend weer als een protectionistische zonde met het kapitalistische ideaal van non-interventie en volmaakte vrijheid. Dat resulteert niet zelden in halfslachtig beleid. Bedrijven worden gesteund, maar zijn tegelijkertijd het doelwit van een streng mededingingsbeleid. Arthur: ‘Als de economie geen machine is maar een biologisch systeem, is de overheid geen machinist maar een tuinman. De tuinman kijkt om zich heen in het park van de nationale economie. Hij ziet verschillende soorten die met elkaar samenwerken of elkaar bestrijden. Hij ziet soorten komen en verdwijnen en vraagt zich af wat hij kan doen. Dat kan soms zijn een nieuwe soort planten, het kan zijn water geven, irrigeren, erop toezien dat nieuwe soorten tot hun recht komen. Je kunt niet van de ene op de andere dag een schakelaar omzetten en dan heb je een Silicon Valley. Zoiets moet je kweken. Daarom zou ik me een paar keer bedenken voordat ik een fusie van grote bedrijven vanwege eventuele monopolieaspecten alleen zou tegenhouden. Een strategische alliantie om het risico van de ontwikkeling van nieuwe produkten te delen, zou ik steunen. Het kan ook heel zinnig zijn om met overheidsgeld projecten te steunen. Je moet natuurlijk wel zorgvuldig bekijken wat je steunt. Zestig jaar geleden werd de wetenschap door Europa gedomineerd. Dankzij de Amerikaanse politiek van financiering van de universiteiten is dat al twintig jaar niet meer zo. Dus als The Economist keer op keer roept dat overheidsbemoeienis altijd ondoelmatig is gebleken, ben ik het daarmee volledig oneens. De overheidssteun voor fundamenteel onderzoek heeft de Amerikaanse economie enorm gestimuleerd. Je kunt de economie dus zeker helpen, maar dat is wat anders dan met harde hand regelen en beheersen.’