Iedereen gebruikt ze: banken, beleggers, bedrijven, verzekeraars en pensioenfondsen. Financiële derivaten maken een adembenemende groei door. Opties en termijncontracten geven het recht, respectievelijk de plicht, om bepaalde zaken op termijn te kopen of verkopen – of dat nu dollars zijn, tonnen suiker of een bepaalde rente. Swaps zijn ruilcontracten, waarbij de ene partij bijvoorbeeld een vaste rente op een lening ruilt voor de variabele rente die een andere beleggers betaalt. De snelst groeiende categorie is die van zogenoemde kredietderivaten. Bekendste zijn credit default swaps (cds), waarbij het risico dat een bedrijf een lening niet afbetaalt is losgekoppeld van de lening zelf.
Derivaten zijn in wezen vaak een soort verzekeringspolis. De tegenpartij die de transactie aangaat, neemt het risico over. De opkomst van derivaten in de jaren tachtig werd mogelijk gemaakt door de liberalisering van de financiële markten, én door de komst van computers die de extreem complexe waardeberekeningen aankunnen. Volgens de Bank voor Internationale Betalingen, de club van centrale banken, stond er halverwege vorig jaar voor 369.000 miljard dollar aan derivaten uit die onderling verhandeld worden. Op de beurzen wordt nog eens voor 74.000 miljard dollar verhandeld. Samen gaat het om een bedrag dat overeenkomt met tien maal de omvang van de wereldeconomie in 2006. Dat is veel, zeker als in aanmerking wordt genomen dat banken, bedrijven en overheden samen bijvoorbeeld ‘ slechts’ voor 64.000 miljard dollar aan verhandelbare leningen hebben uitstaan, en dat de totale geldhoeveelheid in de wereld daar niet eens in de buurt komt. De derivatenmarkt lijkt steeds meer op een omgekeerde piramide, waarbij op een smalle basis van leningen, goederen en valuta’s een steeds groter bouwwerk van afgeleide financiële instrumenten rust. Risico’s worden verhandeld, en verwateren, maar verdwijnen doen ze nooit.